Vroeger wilde ik een talent. Voor zover ik toen wist had ik geen talenten. Dat baarde me om twee redenen zorgen:
1. ik wilde gewoon graag een talent, daar hing iets mysterieus om heen dat me geweldig leek. Dat ik zomaar iets had dat me uit de middelmaat zou trekken.
2. en ik had grote zorgen dat ik een groot talent had maar dat ik daar niet vanaf wist. Dat ik bijvoorbeeld geweldig viool zou kunnen spelen. Maar ik had geen viool, zelfs nooit in het echt gezien. Dat mijn talent zo maar aan het verdampen was.
In een gesprek met mijn vader zei hij dat als ik een talent had, dat dat er wel uit zou komen. Dat ik dan bijvoorbeeld echt viool zou willen of gaan spelen.
Dat vond ik ook verontrustend, ik was 11, en er had zich nog steeds geen talent aangediend.
Tegenwoordig vind ik dat ik drie mooie leuke talenten heb:
1. Ik kan heel goed vegen, dat vind ik leuk, ik heb een mooie veegbeweging en er zit rustgevends in dit werkje.
2. Ik kan heel goed papieren vliegtuigjes vouwen. En wat een wonder zo'n vliegtuigje dat dan werkelijk meters door de lucht vliegt met flinke vaart en dan zonder landingsgestel een mooie landing op de vloerbedekking maakt.
3. En ik heb talent voor het maken van wentelteefjes. Ze zien er altijd goed uit en smaken heerlijk, en door een zeer talentvolle in Canada wonende zus heb ik ook altijd heerlijke maple-sirup voor bij mijn wentelteefjes.
Stiekem hoop ik nog steeds op een groot verborgen talent in Capoeira, hordesspringen of voor Hip Hop dansen. Maar vooralsnog ben ik zeer tevreden en gelukkig met de bescheiden maar vrolijke talenten die ik wel heb.